Iedere (veel te vroege) ochtend sta ik trouw op mijn
vertrouwde plekje op het station te wachten op mijn trein. Gelukkig hoef ik dit
niet alleen te doen. Ik heb namelijk een grote steun en toeverlaat die mij
hierin bijstaat. Want zie je mij, dan zie je ook die eeuwige vouwfiets die ik
bij me draag. Nouja, draag.. In de letterlijke betekenis van het woord draag ik
hem op handen, figuurlijk sleur ik hem armoedig en uitgeput achter mij aan.
Toch hou ik hem dicht bij me. Ik heb hem nodig. Maar er is een ding wat ik jammer vind. Ik kan niet op een vanzelfsprekende manier genieten van ons samenzijn. ’s Morgens moeten
wij namelijk nog een beetje op gang komen en dat doen wij het liefst op een
rustig plekje, met zijn twee. Echter gaat dit niet. Hoeveel mensen zich ook op
het perron hebben genesteld, ze vinden ons altijd. Op de een of andere manier staan
we altijd in de spotlight. Dan lijkt het alsof we bekeken worden. En als ik dan
opkijk om te zien of er daadwerkelijk ogen op ons gericht staan, zie ik ze staren. Ik voel
ze zelfs branden. Ze kijken naar mijn vouwfiets alsof het sinterklaas in een
superman-pak is en nemen vooral niet de moeite deze ontsteltenis te
verbergen. Zonder enige schaamte bestuderen ze mijn fiets van top tot teen. Als
‘ie ingeklapt staat, zijn de blikken nog intenser. Hoe ingewikkelder, hoe interessanter. Ze volgen de vormen van het
stuur tot aan het ventieltje van de achterband. Waar ze niet uitkomen, is de bizarheid van hoe hij zich zo klein weet op te vouwen. Vandaar dat ze, als we eindelijk
in de trein belanden, het liefst bij ons op schoot kruipen om zo rustig, zonder
ook maar iets te missen, te kunnen wachten tot we uitstappen. En dus, tot mijn
fiets zich weer ontpopt tot een rijbaar voertuig. Na wat blozend van de
ongemakkelijkheid te hebben rondgedwaald, vinden we eindelijk onze rust, en dus
onze weg naar de eindbestemming. Dan pas kunnen we genieten van de mooie ochtend. Het moment dat we van het station af rijden is
als een wc-bezoek nadat je twee uur lang je plas in hebt moeten houden. Als het goed-nieuws-telefoontje dat je
krijgt wanneer je anderhalf uur lang zenuwslopend hebt zitten wachten op de
uitslag van je examens. En misschien zelfs als het vinden van een stopcontact, nadat je het drie uur met een lege telefoon hebt moeten uithouden. Een moment van vreugde en euforie. Van verrukking en
extase. Het gevoel van opluchting.
Opluchting. Dat is wat je voelt wanneer de blikken zich
afwenden. Afwenden van mijn vouwfiets. Of van de situatie, het voorwerp, het
persoonlijkheidstrekje, het kledingstuk of het lichaamsdeel dat net even wat
anders is dan anders. Want het gebeurt vaak dat mensen iets of iemand nakijken.
En dan bedoel ik niet het hongerige nakijken wat je doet wanneer je een hot chick of nice guy hebt gespot. Nee, ik heb het over het verafschuwend nakijken
van iets dat niet vaak voorkomt. Iets dat apart is. Apart wordt vaak bestempeld
met negatief. Is het niet zoals het zijn moet, dan is het meteen gek. Dan is
het dom en raar. Misschien zelfs lelijk. Waarom het zo vanzelfsprekend is dat
apart als kwalijk wordt gezien, dat snap ik niet. Ik denk dat je juist trots
moet zijn op het unieke. En ook al luidt de uitspraak “ieder mens is uniek”, ik heb het idee dat niet iedereen deze uitspraak ziet zoals hij bedoeld
is. Apart is bijzonder. Apart is positief. Zelfs de gekke, domme, rare en lelijke apartheden
zijn bijzonder. Je moet de eigenheid van ieder mens of voorwerp waarderen. Alles
heeft zijn eigen waarde. Ieder zijn eigen bijdrage. Sta hiervoor op en kom
hiervoor uit. Wanneer je dit zelf waardeert, waarderen anderen dit ook. Of ze
nou willen of niet. En hoe trotser jij bent, hoe verafschuwender de blikken. Maar deze verafschuwende blikken zijn dan plots zo verafschuwend niet meer. Want in al die verafschuwende blikken die zij geven, zit
dan stiekem heel ver weg een kleine twinkeling van jaloezie. Jaloezie op jouw
uniekheid. Jouw zijn. Of ze nou willen of niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Leave comments all over the place