Ik hartje Leven

Lees hier hoe mijn leven wordt beïnvloed door mijn hart. Hoe ik soms even weer opnieuw begin bij de start. Hoe mijn fouten worden omgezet in lessen. Hoe de bouten van mijn leven weer terugdraaien naar successen. Hoe mijn falen soms panieken. Hoe mijn dalen weer gaan pieken. Hoe mijn lust weer lieflijk bloeit. Hoe ik bewust word opgegroeid. Hoe ik leer van al wat ik ontmoet. En hoe ik zo telkens weer het leven begroet. Zo beïnvloedt mijn hart niet alleen mijn leven. Maar laat mijn leven soms ook mijn hart even zweven.

maandag 28 januari 2013

Het geheim van mijn Facebook-verslaving


Ik schijn verslaafd te zijn aan Facebook. Ik verslaafd? “Ja Lot, je bent verslaafd aan Facebook”. Als een bom sloeg die uitspraak op me in. Ik voelde me als een trommelvlies dat klapt bij het horen van té schelle hardcore. Als een kwetsbaar, jong meisje die ‘s nachts bezweet en vol met tranen wakker schrikt van een enge droom. Met mijn hart kloppend tegen mijn gehemelte kreeg ik het steeds warmer. Ha..Verslaafd. Natuurlijk ben ik niet verslaafd.

En zo ben ik nu precies één week, drie dagen, zes uur en tweeënvijftig minuten aan het afkicken en heb ik nog drie volle dagen te gaan. Twee weken. Appeltje eitje zou je denken. En inderdaad, dat zóú je denken. Met trillende handen probeer ik dit bericht te typen. Met stokkende oogbewegingen probeer ik mijn zicht op mijn opengestelde Word-document te houden. Naast dit document staat een tabblad bij Google Chrome geopend op Facebook. De weerhouding om niet om de vijf minuten een kijkje te nemen heb ik al niet meer in de hand. Daar zit ik dan. Met stoom uit mijn oren probeer ik de drang om te kijken toch te onderhouden met mijn wil. Mijn wil om zonder te kunnen. Om te bewijzen dat ik zonder kan. Te bewijzen dat ik heus niet openbaar wil laten weten dat ik trots ben op mijn klasgenootje die gisteren haar toets behaald heeft. Te bewijzen dat ik het niet leuk vind dat een oude vriend vanochtend languit op zijn bek is gegaan toen hij een poging deed om door de restjes nog niet ontdooide sneeuw te fietsen. Te bewijzen dat ik niet wil dat iedereen weet dat ik zojuist weer een overheerlijke lading cupcakes in de oven heb staan. Te bewijzen dat mijn leven nog altijd net zo leuk is, ook wanneer niet iedereen weet wat ik doe en wanneer ik lach. Om te bewijzen dat ik niet verslaafd ben.

Verslaafd zijn, wat is dat eigenlijk? De online encyclopedie heeft me zojuist laten weten dat dit niet meer of minder dan een geestelijke of lichamelijke aanhankelijkheid is. Een hunkering naar een middel. Het ergens niet meer zonder kunnen. Ik kan stellen dat dit bij mij iets geestelijks is en als ik het goed begrijp, zit het dus tussen mijn oren. Het is dus te verhelpen. En terwijl ik wat zweetdruppels van mijn voorhoofd afveeg, ga ik na wat ik de afgelopen dagen voor afkickverschijnselen ben tegengekomen. Van mijn voorhoofd afdruppelend zweet. Dat is het eerste. Daarnaast zijn mijn nagels in de afgelopen tijd enkele millimeters korter geworden, omdat ik mezelf ervan moest weerhouden iets te posten. Mijn twittergehalte is met 74% gestegen, want ja, ik moet toch ergens mijn rotzooi dumpen. Tot slot heb ik naast zweethandjes ook last van bibberhandjes. En dan bedoel ik niet dat ik hier letterlijk met trillende handen zit. Maar ik voel wel een bepaalde drang. Een drang waarbij het heel verleidelijk is om met de muis van mijn computer op de like-button te gaan staan en vervolgens met mijn wijsvinger het linker muisknopje in te drukken. En die drang is het verschrikkelijkste verschijnsel dat ik de afgelopen dagen heb moeten voelen. Het geeft een naar gevoel in mijn buik. Soms zelfs kleine steken. Het gevoel dat er iets gaat gebeuren. Een soort zenuwachtigheid.

De vraag is nu natuurlijk: Waar komt die drang vandaan? Waarom wil ik zo graag alles bijhouden? Overal ‘bij zijn’? Ik denk dat dit angst is. Angst om iets te missen. Angst om niet gezien te worden. Dat klinkt opzich best zielig. Misschien zelfs triest. Maar soms heb ik een bepaalde drang om mezelf te moeten bewijzen. Bewijzen wie ik ben. Bewijzen wat ik kan. Bewijzen wat ik doe. Bewijzen wat ik wil. Kijk bijvoorbeeld naar deze poging tot Facebook-afkicking. Dit is puur het bewijzen dat ik iets kan. Het bewijzen dat ik zonder Facebook ook doorleef. En door al die dingen steeds te bewijzen, zoek ik bevestiging. Bevestiging om te weten hoe ik het doe. Waar ik sta. En zelfs of ik wel goed leef. 

Of het puur een verslaving aan Facebook is, vraag ik me dus af. Een verslaving aan het bewijzen van mezelf kan ik daarbij echter niet ontkennen. De behoefte om alsmaar die bevestiging te krijgen van mijn vrienden. Facebook is daarbij puur een middel. Dus ondanks dat de twee volle Facebookloze weken nog niet om zijn, weet ik dat dit me echt wel gaat lukken. En naast het feit dat ik over drie dagen dus kan zeggen dat ik niet verslaafd aan Facebook ben, heb ik er nog een andere boodschap bij gekregen. Want ook zonder mijn ‘like’, weet mijn klasgenootje dat ik trots op haar ben. Ook zonder mijn reactie weet die oude vriend dat ik stiekem toch wel lach. En ook zonder mijn aankondiging aan jullie dat ik een heerlijke, zelfgemaakte cupcake naar binnen aan het werken ben, smaakt die cupcake nog even heerlijk en zelfgemaakt. Kortom, ook zonder Facebook is mijn leven leuk. Ook zonder Facebook lach ik. Dus wat zou ik nog moeten bewijzen? Waar heb ik bevestiging voor nodig? Want al die zogenaamde afkickverschijnseltjes, heb ik toch wel mooi kunnen verslaan. Ik heb gedaan wat ik wilde. Ik heb genoten. Genoten van de momenten waar ik bij was. Genoten van de mensen die ik om mij heen had. Genoten van het hier en van het nu. Genoten van mijn leven.

Of dit minder leuk was dan wanneer ik bevestiging zou krijgen van mijn Facebookvrienden? Nee. Het was juist leuker. Ik deed gewoon wat ík wilde. En of een ander dat nou wel of niet leuk had gevonden, dat verandert mijn beleving niet. Of ik jullie nu voor altijd ga weerhouden van mijn gebeurtenissen? Nee. Over drie dagen ben ik weer online. Over drie dagen Facebook ik weer zonder belemmering. Maar dit zal wel anders zijn. Ik zal het niet doen om mezelf te bewijzen. Ook niet om per se mee te willen maken. Om bij te willen zijn. Nee. Niet omdat ik jullie bevestiging nodig heb. Ik doe het om te delen. Om te laten ervaren. En zelfs om te vermaken. Want samen lach je immers harder dan alleen. Ha..Verslaafd. Natuurlijk ben ik niet verslaafd. 

maandag 14 januari 2013

Het gemak van de moeilijke weg


Waarom kiezen mensen de gemakkelijkste weg? Waarom is het zo vanzelfsprekend om juist linksaf te slaan, terwijl daar in feiten net zo veel, zo niet dan wel nog meer, obstakels liggen dan rechts? Waarom zien wij die obstakels niet bij voorbaat? Waarom laten onze hersens ons geloven dat links beter is dan rechts. Dat links voor overleven staat en rechts voor ten onder gaan. Dat links de hemel is. En rechts vol helse duivels zit. Waarom? Het antwoord is heel simpel. Dit draait om pure angst. Al die gedachten, al die wegen, al die keuzes. Angst is het antwoord. Althans, dat denk je. Rechts is eng, dus ga je links. En wie zou je ongelijk geven? Nou ik dus. Want waar is die angst nou op gebaseerd? Op nare, onzinnige hersenspinsels die je doen geloven dat rechts niet haalbaar is. Maar als je nou even de tijd neemt om twee keer na te denken, is het dan niet zo dat overal obstakels liggen? Op iedere weg kom je dingen tegen. Onverwachts en wellicht kwaadaardig. Jij hebt jezelf alleen aangepraat dat je de linkse weg met twee vingers in je neus kan halen. Door die overtuiging ben je in jezelf gaan geloven. Je loopt die weg als vanzelfsprekend. Nietsvermoedend versla jij die obstakels. En nog voordat je het zelf door hebt, bereik jij je plaats van bestemming. 

Maar wat nou als je rechts was gegaan? Wat als je toch de moed bij elkaar had verzameld om de ‘gevaarlijke’ afslag te nemen. De afslag met al de obstakels. De afslag vol met duivels. Wat als je jezelf had weten te overtuigen dat je die afslag aan zou kunnen? Dat je sterk genoeg zou zijn. Wat als je ook hier in jezelf zou geloven? Dan zou jij, ook via rechts, vanzelfsprekend die weg gelopen hebben. Nietsvermoedend al die obstakels verslagen. En je had ook hier, nog voordat je het zelf überhaupt door had, je plaats van bestemming bereikt. Zo kwam ik hier de afgelopen week op een ietwat onbenullige wijze achter.

Ik was aan het lezen in een boek. “Afgunst” van Saskia Noort. Een thriller. Iets wat ik normaal gesproken zonder enige moeite in één enkele wimperknip uit zou hebben. Maar dit keer was het anders. Met het zweet op mijn voorhoofd, had ik inmiddels bladzijde 20 bereikt. Inmiddels was dus eigenlijk “nog maar”. Om het nog net wat erger te maken: De tranen stonden al in mijn ogen. De wortels, die ik de avond hiervoor op had, bevonden zich in mijn neusholte. Nog net op tijd sloeg ik het boek dicht. En terwijl ik het zweet langzaam terug mijn poriën in voelde lopen, mijn tranen zich weer achter mijn oogkassen wisten te verschuilen en de wortels langzaam terug naar mijn maag gleden, bevond ik mij weer in de werkelijkheid. Ik keek om me heen en zag de herkenbaarheid. Ik rook de vertrouwdheid. Ik voelde de mijn thuis. Maar toch, ondanks al die goede sferen, kon ik mij hier niet aan overgeven. Zo ver weg. Ik was zo ver weg van de verbeelding. Wat deed die onrust nog in mijn lichaam? Nadat die onrust zich na een week nog steeds over mijn lichaam bekommerde en het uitermate ranzig beschreven stuk zich nog steeds tussen mijn hersens spinde, legde ik een link. Ik had op dat moment namelijk een keuze gemaakt. De keuze om het boek dicht te slaan en weg te leggen. Vooral niet meer open te doen. En waarom? Omdat ik bang was. Bang voor wat ik nog lezen zou gaan. Bang voor wat ik nog tegen zou komen. Bang voor de voorstelling die aan de binnenkant van mijn ogen nog zou opduiken. Ik was bang omdat ik niet wist wat me te wachten stond. Omdat ik verwachte dat ik nog allerlei obstakels tegen zou komen. Omdat ik er geen vertrouwen in had dat ik dit boek zonder pijn en moeite uit zou kunnen lezen. En dat was het moment dat ik mijn knop omdraaide. Want ondanks al die beklemming, was ik ontzettend benieuwd naar hoe het verhaal zich zou vervolgen. En waarom zou ik mij van die nieuwsgierigheid afhouden door een bibberigheidje dat zich nergens op baseerde? Ik liet mijn angst voor wat hij was en trok de stoute schoenen aan. Ik pakte mijn boek met beide handen uit de kast. Ik had de kracht om het open te slaan. Het vertrouwen om door te lezen. En de moed om vol te houden. Terwijl mijn maag zesentachtig salto’s per minuut maakte, voelde ik langzaam maar zeker de rust wederkeren. De salto's werden minder, mijn ademhaling kalmeerde. En zo had ik als vanzelfsprekend dit boek doorgelopen  Nietsvermoedend de misselijkmakende, tot in het kleinste detail beschreven obstakels verslagen. En nog voordat ik het zelf door had, had ik de laatste bladzijde bereikt.    

Ik geloofde in mezelf, durfde mijn angst onder ogen te zien, en zo mijn einddoel te behalen. Ik zag in dat het helemaal niet zo eng was als ik in eerste instantie gedacht had. Dat ik er zonder enige blijvende schade doorheen ben gekomen. Dat ik nu wist hoe het verhaal afliep. Dat ik weer rust in mijn lijf gevonden had. Dat ik er niets aan verloren was, maar juist vol trots kon zeggen dat het gelukt was. 

En ik zeg niet dat het altijd zonder moeilijkheden gaat. Dat iedere weg vlekkeloos zal verlopen. Dat je altijd vlot en soepel over al je obstakels heen zal springen. Dat je nooit meer bang hoeft te zijn. Natuurlijk moet er soms ook moeite gedaan worden. En natuurlijk mag je ergens voor vrezen. Ik wil alleen zeggen dat je die vrees niet de overhand moet laten nemen. Het begint allemaal bij het geloven in jezelf. Door te geloven, heb je dat einddoel al bijna binnen. Dan ben je al zover op weg richting je eindbestemming, dat je alleen nog maar de stappen hoeft te zetten. Dan bevorder je je kunnen. Dan stimuleer je je macht.

maandag 7 januari 2013

Lotte zet haar bloedneus af


Waarom ik niet van bloedneuzen hou? Bloedneuzen zijn naar, bloedneuzen zijn vies en bloedneuzen zijn nep. Ze geven je het gevoel alsof al je ingewanden zich langzaam door je neusgat naar buiten proberen te wringen. Wat natuurlijk onmogelijk is. En al helemaal niet waar. Het voelt naar omdat je heel de denkbeeldige weg die het bloed aflegt, tot op de kleinste afslag, in je tenen voelt. Nog zonder überhaupt te zien waar de ophoping zich bevindt, wil je raden op welke plaats hij zit. Het is een beetje als dat spelletje waarbij iemand met zijn vingers aan de binnenkant van je arm omhoog kruipt en jij met je ogen dicht moet raden wanneer hij op het midden is. Altijd gokte je fout. Zo ook hier. Want op het moment dat er zich in plaats van een hoop vol met alle ingewanden die jij zojuist in je hoofd hebt opgesomd, gewoon een druppeltje bloed uit je neus weet te ontpoppen, blijkt alles wat je daarvoor voelde niet te kloppen. Al die voorbereiding. Al die stressaanvallen. Al die tranen met tuiten. Al die gedachten die je ieder moment het einde van de wereld konden laten zien. Alles voor niets. Bloedneuzen zijn naar. Bloedneuzen zijn vies. En bloedneuzen zijn nep. Dat zou dan ook gelijk de enige reden zijn die ik kan bedenken waarom de uitspraak “doen alsof je neus bloedt” de wereld in is gekomen.

Want wat is nou doen alsof je neus bloedt? Juist. Doen alsof er niks aan de hand is, terwijl je eigenlijk maar al te goed weet dat er dingen spelen. Nep dus. En net zoals de bloedende neuzen, heb ik een even grote, al dan niet een nog grotere hekel aan bloedneuzende mensen. Tot voor kort had ik dus ook een bloedhekel  aan mezelf. Ik kon goed doen alsof mijn neus bloedde. Daardoor voelde ik me sterk. Daardoor voelde ik me goed. Daardoor voelde ik me alsof ik de eer aan mezelf had gehouden. Maar waarom zou 'doen alsof' mij in godsnaam eer geven? 'Doen alsof' is niets minder dan situaties uit de weg gaan. Dan dingen die er toe doen vermijden. Dan gevoelens bewust over het hoofd zien. Bij 'doen alsof' speel je met gevoelens en dan vooral met die van jezelf. Want als je het goed speelt, zal de ander niks door hebben. En terwijl jij vrolijk rondhuppelt, denkend dat je de ander in ’t ootje hebt genomen, ben jij het uiteindelijk die voor de gek gehouden wordt. Door nota bene je eigen bloedneuzende zelf. En wat schiet je ermee op? Een jij die van voren niet meer weet wat je van achter moet voelen en een ander die er niet eens erg in heeft. Dus wat heb je er aan? Een naar gevoel. Een vies gevoel. Een nep gevoel. En laat dat nou net alles behalve sterk, goed een eervol zijn.

Het is belangrijk om te beseffen dat sommige dingen er wel toe doen. Dat het naast dat het om de ander, altijd ook om jezelf gaat. Het is belangrijk dat je dingen uitspreekt die belangrijk zijn. Niet alleen naar de ander, maar ook naar jezelf. Iets uitspreken geeft al zoveel vrijheid. Zoveel kracht. Zoveel goeds. En zoveel eer. 9 van de 10 keer zal dan blijken dat de drama, waar je gevoel je al die tijd bang voor maakte, helemaal niet zo dramatisch is. Het zal alles behalve naar zijn. Alles behalve vies. En alles behalve nep.  

Dus terwijl ik voortaan bij een opkomende bloedneus nog steeds zal denken dat al mijn ingewanden een uitweg proberen te vinden door het meest onmogelijke gat in mijn lichaam, zal ik lachend in de spiegel kijken als achteraf blijkt dat er niets meer dan een lief, klein straaltje bloed over mijn lip heen dribbelt.

donderdag 3 januari 2013

De diepgang van de mogelijkheden


Het onmogelijke. Waarom is hetgeen dat je het aller-graagst wilt altijd net hetgeen dat eigenlijk juist niet in jouw plaatje past? Het stokt je vloeiende levenslijn als een vis zonder water. Als een boom zonder wortels. En misschien zelfs als een opa zonder bril. Gewoon onmogelijk.

Er werd mij laatst gevraagd wie ik over 10 jaar ben en waar ik dan sta. Toen ik daarover na ging denken, schrok ik een beetje. Ik wil bijvoorbeeld op mijn 26ste mijn eerste kind hebben.  Voor die tijd moet ik dus een schat van een vent vinden met wie ik het liefst ook nog voor die tijd gelukkig getrouwd ben. Ook wil ik nog enige tijd backpacken in Verweggistan. Voordat ik überhaupt weg kan, moet ik mijn studie hebben afgerond en genoeg bijeen hebben gespaard. Maar daarvoor moet ik eerst een leuke, goede baan vinden. Maar hij moet niet te leuk zijn, want ik moet wel na een tijd weer weg om mijn reis waar te maken. Ook wil ik als ik eenmaal weer gelukkig thuis ben, zorgen voor een heleboel broertjes en zusjes voor mijn eerste kindje. Dat gaat duur worden. Dat wil zeggen dat ik een heel erg goed betaalbare baan moet hebben. Maar ik studeer voor een baan in de zorg. Dat wordt dus niets. Ik moet dus eigenlijk een andere richting op. Ik moet een andere opleiding gaan volgen. Maar dan wordt de zaak om al mijn hierboven genoemde levensbehoeften vóór mijn 26ste te waarborgen nog onmogelijker dan hij al lijkt. Dit is dus onmogelijkerderderst. Dat betekent dat mijn schat van een vent, eigenlijk gewoon een vent van een schat moet zijn. Dat hij miljoenen op zijn bankrekening moet hebben om mij met mijn miezerige zorgsalarisje en onze twintig kinderen te kunnen onderhouden. Oke vooruit, duizenden is ook goed. En eigenlijk wil ik ook dat voor die tijd mijn boek af is. En nog zo briljant dat ik er zelf bakken met geld aan verdien, zodat mijn man tegen mij opkijkt. Maar dat vergt zoveel tijd dat ik ook dan geen minuut meer over hou om al mijn hierboven genoemde levensbehoeften te waarborgen. Zelfs geen minuut om voor mijn kinderen te zorgen. Dit is dus nog onmogelijkerder dan het onmogelijkerderderst.

Snel 1,2,3 antwoord geven op de vraag wie ik over 10 jaar ben en waar ik dan sta, kon ik dus niet. Wat ik wel kon, was nagaan waarom ik zoveel uitstippel. Waarom ik mijn fucking hele levensplan tot aan mijn veertigste zo achter elkaar op kon ratelen. Mogelijk of niet, ik wist wat ik wilde. Maar waarom zou ik dit al willen weten? Als het echt waar kon zijn wat ik zojuist allemaal heb opgesomd, dan zou ik toch helemaal geen plezier meer ervaren? Dan zou ik toch niet eens echt gelukkig kunnen zijn? Dan zou ik, ondanks dat ik alles had waar ik van droomde, geen moment verrast worden door mijn kunnen. Ik wist toch al zo goed hoe het er allemaal uit zou gaan zien, waarom zou ik het dan nog moeten meemaken. Geen benul hebben is frustrerend. Althans dat dacht ik. Na het serieus overdenken van mijn levensplan, schaafde ik die gedachte bij. Want wat is er nou leuker aan het leven dan het ‘niet weten’? Aan het fucking afvragen waar je het allemaal voor doet en het niet kunnen voorspellen wat je waar naartoe brengt? Het versteld staan van je kunnen, van je doen en van je laten.

Dat 'niet weten' is wel eng, dat geef ik toe. En ik weet dat er veel mensen in de wereld zijn die de controle het liefst in eigen handen houden. Die alles maar al te graag van te voren uitdenken. Die liever met een parachuut  uit een kilometershoog vliegtuig springen met in hun achterhoofd vasthoudend dat hun familie hen onderaan met open armen staat op te wachten, dan dat ze uit datzelfde vliegtuig moeten springen, zonder te weten wat er daar beneden te doen of te zien is. Dat klinkt ook best logisch. Ik hoorde zelf ook bij die eerste groep mensen. Maar in principe heb je bij allebei de gebeurtenissen evenveel kans op geluk. Alleen de ene kans geeft je zekerheid en dus je familie. De andere kans geeft je verrassing en dus hoop. Hoop op geluk. 

En hoop is nou net waar het in het leven om draait. Hoop is waar je op kunt bouwen. Hoop is waar je naartoe kunt leven. Je kunt erop afgaan, zonder dat het saai wordt. En natuurlijk, je wilt vaak een doel voor ogen hebben om jezelf nuttig te voelen. Dat klopt. En dat mag ook. Maar moet je daarvoor per se al de controle in eigen handen hebben? Moet je daarvoor heel die ellenlange weg uitstippelen? Moet je daarvoor in de stress raken als je even een moment van die weg afwijkt? Dat je net een andere richting inslaat, omdat je dat toch beter aanstaat. Who cares. Wees blij. Onverwachte wendingen zijn vaak de bijzonderste wendingen. Dus weg met mijn twintig-kinderen-plan. Ik spring in het diepe.