Waarom kiezen mensen de gemakkelijkste weg? Waarom is het zo
vanzelfsprekend om juist linksaf te slaan, terwijl daar in feiten net zo veel,
zo niet dan wel nog meer, obstakels liggen dan rechts? Waarom zien wij die
obstakels niet bij voorbaat? Waarom laten onze hersens ons geloven dat links
beter is dan rechts. Dat links voor overleven staat en rechts voor ten onder
gaan. Dat links de hemel is. En rechts vol helse duivels zit. Waarom? Het
antwoord is heel simpel. Dit draait om pure angst. Al die gedachten, al die
wegen, al die keuzes. Angst is het antwoord. Althans, dat denk je. Rechts is
eng, dus ga je links. En wie zou je ongelijk geven? Nou ik dus. Want waar is
die angst nou op gebaseerd? Op nare, onzinnige hersenspinsels die je doen
geloven dat rechts niet haalbaar is. Maar als je nou even de tijd neemt om twee
keer na te denken, is het dan niet zo dat overal obstakels liggen? Op iedere
weg kom je dingen tegen. Onverwachts en wellicht kwaadaardig. Jij hebt jezelf
alleen aangepraat dat je de linkse weg met twee vingers in je neus kan halen.
Door die overtuiging ben je in jezelf gaan geloven. Je loopt die weg als
vanzelfsprekend. Nietsvermoedend versla jij die obstakels. En nog voordat je
het zelf door hebt, bereik jij je plaats van bestemming.
Maar wat nou als je rechts was gegaan? Wat als je toch de
moed bij elkaar had verzameld om de ‘gevaarlijke’ afslag te nemen. De afslag
met al de obstakels. De afslag vol met duivels. Wat als je jezelf had weten te
overtuigen dat je die afslag aan zou kunnen? Dat je sterk genoeg zou zijn. Wat
als je ook hier in jezelf zou geloven? Dan zou jij, ook via rechts,
vanzelfsprekend die weg gelopen hebben. Nietsvermoedend al die obstakels
verslagen. En je had ook hier, nog voordat je het zelf überhaupt door had, je
plaats van bestemming bereikt. Zo kwam ik hier de afgelopen week op een ietwat
onbenullige wijze achter.
Ik was aan het lezen in een boek. “Afgunst” van Saskia
Noort. Een thriller. Iets wat ik normaal gesproken zonder enige moeite in één enkele wimperknip uit zou hebben. Maar dit keer was het anders. Met het zweet op mijn
voorhoofd, had ik inmiddels bladzijde 20 bereikt. Inmiddels was dus eigenlijk
“nog maar”. Om het nog net wat erger te maken: De tranen stonden al in mijn
ogen. De wortels, die ik de avond hiervoor op had, bevonden zich in mijn
neusholte. Nog net op tijd sloeg ik het boek dicht. En terwijl ik het zweet
langzaam terug mijn poriën in voelde lopen, mijn tranen zich weer achter mijn
oogkassen wisten te verschuilen en de wortels langzaam terug naar mijn maag gleden,
bevond ik mij weer in de werkelijkheid. Ik keek om me heen en zag de
herkenbaarheid. Ik rook de vertrouwdheid. Ik voelde de mijn thuis. Maar toch,
ondanks al die goede sferen, kon ik mij hier niet aan overgeven. Zo ver weg.
Ik was zo ver weg van de verbeelding. Wat deed die onrust nog in mijn lichaam? Nadat die onrust
zich na een week nog steeds over mijn lichaam bekommerde en het uitermate
ranzig beschreven stuk zich nog steeds tussen mijn hersens spinde, legde ik een
link. Ik had op dat moment namelijk een keuze gemaakt. De keuze om het boek
dicht te slaan en weg te leggen. Vooral niet meer open te doen. En waarom?
Omdat ik bang was. Bang voor wat ik nog lezen zou gaan. Bang voor wat ik nog
tegen zou komen. Bang voor de voorstelling die aan de binnenkant van mijn ogen
nog zou opduiken. Ik was bang omdat ik niet wist wat me te wachten stond. Omdat
ik verwachte dat ik nog allerlei obstakels tegen zou komen. Omdat ik er geen
vertrouwen in had dat ik dit boek zonder pijn en moeite uit zou kunnen lezen.
En dat was het moment dat ik mijn knop omdraaide. Want ondanks al die
beklemming, was ik ontzettend benieuwd naar hoe het verhaal zich zou vervolgen.
En waarom zou ik mij van die nieuwsgierigheid afhouden door een bibberigheidje dat zich nergens op baseerde? Ik liet mijn angst voor wat hij was en trok de stoute schoenen
aan. Ik pakte mijn boek met beide handen uit de kast. Ik had de kracht om het
open te slaan. Het vertrouwen om door te lezen. En de moed om vol te houden.
Terwijl mijn maag zesentachtig salto’s per minuut maakte, voelde ik langzaam
maar zeker de rust wederkeren. De salto's werden minder, mijn ademhaling kalmeerde. En zo had ik als vanzelfsprekend dit boek doorgelopen Nietsvermoedend de misselijkmakende, tot in het kleinste detail
beschreven obstakels verslagen. En nog voordat ik het zelf door had, had ik de
laatste bladzijde bereikt.
Ik geloofde in mezelf, durfde mijn angst onder ogen te zien,
en zo mijn einddoel te behalen. Ik zag in dat het helemaal niet zo eng was als
ik in eerste instantie gedacht had. Dat ik er zonder enige blijvende schade
doorheen ben gekomen. Dat ik nu wist hoe het verhaal afliep. Dat ik weer rust
in mijn lijf gevonden had. Dat ik er niets aan verloren was, maar juist vol trots kon zeggen dat het gelukt was.
En ik zeg niet dat het altijd zonder moeilijkheden
gaat. Dat iedere weg vlekkeloos zal verlopen. Dat je altijd vlot en soepel over
al je obstakels heen zal springen. Dat je nooit meer bang hoeft te zijn.
Natuurlijk moet er soms ook moeite gedaan worden. En natuurlijk mag je ergens
voor vrezen. Ik wil alleen zeggen dat je die vrees niet de overhand moet laten
nemen. Het begint allemaal bij het geloven in jezelf. Door te geloven, heb je dat
einddoel al bijna binnen. Dan ben je al zover op weg richting je eindbestemming,
dat je alleen nog maar de stappen hoeft te zetten. Dan bevorder je je kunnen.
Dan stimuleer je je macht.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Leave comments all over the place