Ik hartje Leven

Lees hier hoe mijn leven wordt beïnvloed door mijn hart. Hoe ik soms even weer opnieuw begin bij de start. Hoe mijn fouten worden omgezet in lessen. Hoe de bouten van mijn leven weer terugdraaien naar successen. Hoe mijn falen soms panieken. Hoe mijn dalen weer gaan pieken. Hoe mijn lust weer lieflijk bloeit. Hoe ik bewust word opgegroeid. Hoe ik leer van al wat ik ontmoet. En hoe ik zo telkens weer het leven begroet. Zo beïnvloedt mijn hart niet alleen mijn leven. Maar laat mijn leven soms ook mijn hart even zweven.

woensdag 20 maart 2013

De zon in je broekzak

Ik word altijd chagrijnig van die winterse kou,
Zo nat, zo donker, zo kil en zo grauw,
Het maakt me verdrietig, somber en klein,
Ik vind het maar niks om trillend buiten te zijn,
Het verpest mijn humeur, heb nergens zin in,
Met mijn mond klein en pruilend, wenkbrauwen tot op mijn kin,
Vloekend stap ik mijn bed uit, wanneer mijn wekker luid klinkt,
De rest van de dag ben ik als een schip dat zinkt,
Oogkassen vol tranen, die op springen staan,
Die op willekeurig moment, zonder reden, lopen gaan,
Soms vraag ik mij af, waarom een sneeuwvlokje zo klein,
Zo'n grote inslag op mijn gevoel kan zijn,
Want ik ben niet ontevreden over wie ik ben en wat ik doe,
Nee, op sommige momenten lacht het leven mij zelfs toe,
Dus waarom laat ik mijn lach weglopen,
Langzaam in de harde regen onderdopen,
Waarom voel ik mij zo eenzaam en alleen,
Met zoveel lieve mensen om mij heen,
Het antwoord op die vragen, kreeg ik vandaag helder en wel,
Toen ik treurig in de trein zat, naast een lief, oud stel,
Lachend keken zij het raam uit, naar die vieze, natte sneeuw,
Alsof ze dat niet meer gezien hadden sinds de vorige eeuw,
En met diezelfde lach, kreeg ik een knikje, heel klein,
En de vraag of ik ook genoot, want "Oh wat was het toch fijn!",
Ik probeerde lief te lachen en schudde beleefd van 'nee',
Want dat koude, suffe weer, daar verblijd je mij niet mee,
Schokkend van het lachen, vielen ze bijna op de grond,
Want "blijdschap hangt niet af van wat er uit de lucht komt",
Luid en heel standvastig vertelde hij toen "Meid..",
"Geluk zit in je broekzak, dat raak je niet zomaar kwijt.",
"Soms is het heel goed zichtbaar, soms wat dieper misschien,
Maar als je heel goed kijkt, dan kun je het altijd zien.",
Toen ik later die ochtend de trein weer uitging,
Voelde ik me net een magneetje die alle sneeuw opving,
Maar in plaats van mopperend vloeken, dacht ik aan wat mij verteld was,
En langzaam dwarrelde de sneeuw, langs mijn gezicht, over mijn jas,
Het was kouder dan ik dacht, ik rilde, beefde hard,
Maar toch kon ik niet wegrennen, ik stond daar, stil, verward,
En na een paar minuten kreeg ik een gevoel zo warm,
De sneeuw smolt van mijn gezicht, gleed langs mijn nek over mijn arm,
Verbaasd liep ik weer verder, langs iedereen die opeens gelukkig leek,
Ik schudde mijn hoofd en begon te lachen, terwijl ik met een schuin oog in mijn broekzak keek.

Aan de rand van de waterkant

Benen dwalen, armen malen.
Gedachten vloeken, emoties zoeken.
Waaien weg. Vloeien over.
Duwen, trekken. Spoelen onder.
Ho. Ik trap. Draai opzij.
Op mijn rug, zwem ik vlug.
Zwem ik harder, steeds verwarder.
Een zucht. Een steun. En ik leun.
Hap naar lucht, nog een zucht.
Trek me op. Er bovenop.
Ik leg me neer, adem weer.
Daar aan de rand van de waterkant.

Hink, stap, sprong

Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Over de straten, langs de rivier.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Van tegel naar tegel, 1, 2, 3, 4.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Vrolijk hupt zij door de dag.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Hey! Hallo. Hoi, goedendag.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Ze neemt me mee naar wat ze ondervindt.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Zorgeloos, door de zuidenwind.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Iedere dag springt ze mij voorbij.
Hink, stap, sprong, hink, stap, sprong.
Zijn wij dezelfde? Ik en zij?

dinsdag 19 maart 2013

"When walking walk. When eating, eat."

Het lijkt zo simpel mensen, maar 9 van de 10 keer dat we aan het eten zijn, schransen we het naar binnen zonder ook maar daadwerkelijk door te hebben wat we net nou eigenlijk echt gegeten hebben, omdat we met ons hoofd al bij de hondentraining van vanavond zitten. Echt.. zelfs een boterham met pindakaas smaakt zoveel lekkerder wanneer je een boterham met pindakaas eet. Geniet, en gun jezelf dat oplaad-moment.

De definitie van angst

Angst. Een begrip gebaseerd op een gedachte dat je iets niet aan kunt. Maar wie zegt dat je dat daadwerkelijk niet aan kunt? Angst laat je de zaken even relativeren. Angst geeft je inzicht. Het is aan jou om links of rechts te gaan. Angst is een hindernis. Een blokkade. Maar wel een waar je overheen kunt springen. Ja echt, dat kun je. Angst is bedoeld om je even wat harder te laten werken. Niet om bij de pakken neer te gaan zitten. Angst moedigt je aan, door je juist even terug te roepen. Angst wordt vaak verkeerd begrepen. Angst laat je dingen zien. Angst laat je leven. Angst is je vriend.

dinsdag 12 maart 2013

Vroeger, toen alles nog makkelijk was


Vroeger, toen alles nog makkelijk was. Toen zorgen nog voor mama’s waren. Verantwoordelijkheden voor papa’s. Toen consequenties alleen uit 10 minuten treurig op de gang zitten bestonden en huilen nog om niks mocht zijn. Toen je pijn nog verzacht kon worden met wonderlijke nijntje-pleisters. Toen denken nog geen gisteren en geen morgen kende. Toen spelen nog de hele dag kon duren. Toen slapen tussen de middag nog toegestaan, zelfs ingepland was. Toen ruzie nog opgelost werd door je leraar. Toen je je moeders hand nog kon vastpakken als iets eng of spannend was. Toen een drukke dag nog bestond uit drie verjaardagsfeestjes. Toen stress nog niet in je woordenschat voorkwam, laat staan overspannen en uitgeput. Toen je boeken als vanzelf uit je hoofd wist op te lezen. Toen agenda’s alleen voor grote, chique meneren waren. Toen de verplichtingen van je grote zus nog fantastisch en schitterend leken. Toen je moeder er alles aan moest doen om je moe te krijgen. Toen tijd nog als vriend, en niet als vijand werd gezien. En toen de dagen nog zonder besef voorbij konden strijken.

Vroeger, toen alles nog makkelijk was. Waarom was eigenlijk alles makkelijker? En  was alles wel echt makkelijker? Of lijkt dat nu alleen maar zo? Want waarom had ik dat toen dan niet door? Is alles niet gewoon nog ingewikkelder geworden dan het al was? Of lijkt dat wat nu zo moeilijk is, over twintig jaar ook makkelijk? Vergelijk ik nu appels met peren? Waarom stel ik zoveel vragen? Zijn deze vragen wel van belang? Wat als vroeger ook alles moeilijk was? Maar wat als dat alleen maar zo leek, en ik het een jaar later weer vergeten was? Wat als de moeilijkheden van nu ook eigenlijk helemaal niet moeilijk zijn? En ik over twintig jaar niet eens meer weet waar ik nu zo mee zit? Waarom vraag ik me dit allemaal af? Waarom denk ik zoveel na?

Juist. Waarom denk ik zoveel na? Nadenken. Denk. Dacht na. Na denk. Nagedacht. Denk na. Denken na. Waarom blijft alles zo ronddwalen in mijn hoofd? Waarom zijn er zoveel gedachten? Zou alles makkelijker zijn als ik niet zou nadenken? Huh? Nee. Dat kan toch niet? Dan doe je toch dingen zonder erbij na te denken? Dat geeft toch geheid problemen? Als mijn vader tegen mijn zusje zegt: “denk toch eens na, voordat je iets doet”, dan is dit meestal met een boze ondertoon. Slecht dus. Niet goed. Dus dan heeft datgene wat ze gedaan heeft, zonder erbij na te denken, verkeerd uitgepakt. Toch? Je moet dus wel nadenken. Maar waarover dan? En waarom? Wat moet je dan allemaal nagaan? En wat doe ik dan verkeerd? Ik denk teveel. Ik doe het weer. Voor ik het weet worden mijn woorden weer raadsels. Mijn verhalen rebussen. En bevindt het juiste antwoord zich in het grote doolhof in mijn hoofd. Niet wetend waar de juiste doorgang is. Niet wetend hoe ze mij kan vinden. Influisteren wat ik doen moet.

Al die gedachten.. Ze moeten weg. Ik moet weg. Maar waarheen dan? En wat is daar dan te vinden? Is dat de juiste weg? Kom ik daar verder mee? Oke stop. Ik voel het komen. De golf. De golf vol met gedachten. Duizend woorden  met boze ogen. Scherpe tanden. Grote klauwen. Ze reiken me. Ik duikel onder. Ik verdwijn. Woordenkots. Zo gauw als ik kan, zoek ik naar lucht. Frisse lucht. Ik sla met mijn armen in het rond. Duw de woorden opzij. Ik moet erdoor. Daar. Ik voel zuurstof. Nog even en ik ben er weer. Met alle kracht in mijn benen, kruip ik de woorden voorbij. Steeds verder de lucht in. Lucht. Ik adem.

Daar zit ik dan. Aan de rand van de put. De wind waait door mijn haren. Ik zie weer waar ik heen wil. Daar, aan het einde van de straat. De ellenlange straat. Maar ik kan er nog niet komen. Toch proef ik de smaak van overwinning. De geur van hoe het daar ruikt, wervelt zelfs al door mijn neus. Daar, aan de andere kant van de weg. Ik heb het gevoel dat ik leef. Maar toch ook weer niet. Want hoe kom ik daar? Wat heb ik daarvoor nodig? Wat helpt me daar naartoe? Over bulten, diepe dalen. Misschien vind ik een versnelling? Ik heb het net allemaal weggestopt. Afgeslagen. Onvindbaar. Want dat is wat ik doe met die gedachten. Ik stop alles weg. Het liefst zo ver mogelijk. Ik heb controle nodig. Maar wat als ik het allemaal eens laat gebeuren? Al die gedachten de vrije loop laat? Mezelf laat overspoelen? Misschien zelfs verdrinken? Zou ik dan wel verdrinken? Misschien dat die gedachten me inspiratie geven? Een nieuwe weg? Misschien een snellere? Een ezelsbrug? Een hulpmiddel? Het kan. Het kan ook niet. Maar wat heb ik te verliezen? Zou ik mezelf verliezen? Dat is wel waar ik bang voor ben. Maar angst is gebaseerd op iets dat je denkt niet aan te kunnen. Precies. Dat je denkt. Wat als ik het wel aan kan? Dat ik er alleen maar wijzer van word? Ik denk dat ik bang ben geworden van al mijn gedachten, juist doordat ik zoveel denk. 

Ik ben bang van denken. Daar heb je het weer, bang. Angst, gebaseerd op iets dat je denkt niet aan te kunnen. Ik denk dat ik mijn gedachten niet aan kan. Dat ik niet verder kan zonder oplossing. Maar wat als nou eens een keer geen oplossing heb? Wat als ik gewoon even geen oplossing weet? Geen uitweg? Zou ik dan vallen? Hard? En wat als ik val? Daar word ik toch hard van? Wat als ik het gewoon even niet weet? Vroeger wist ik ook niks. Toen ging alles van een leien dakje. Althans, dat leek. Wat als dat niet het geval was? En ik heel veel gevallen ben? Dan ben ik er verdomd goed uitgekomen. Ik sta nog. Ik adem nog. Ik loop nog. Dat vallen heeft me dus verder geleid? Verder in het leven. Waarom zou ik dus nog bang zijn? Iets in mij zegt dat ik al mijn gedachten er gewoon even moet laten zijn. Er niks mee hoef te doen. Ik stop ze niet weg. Ik pak ze niet vast. Ik laat het gebeuren. Ik laat zijn wat er komt. En laat me meespoelen. Zonder controle. Het diepe in. Ik laat mijn angst, gebaseerd op gedachten, los. Ik vertrouw dat ik die angst al meerdere malen heb overwonnen. Vroeger. Dat ik dus wel aan kan waar ik bang voor ben. Dat ik niet alles hoef te weten. Hoef te zien. Ik vertrouw. Wat er gebeurt en waar ik terecht kom, dat weet ik nog niet. Maar ik ben er nu ook nog. Dus ik vertrouw op vroeger. Want vroeger leek alles makkelijker.