Ik word altijd chagrijnig van die winterse kou,
Zo nat, zo donker, zo kil en zo grauw,
Het maakt me verdrietig, somber en klein,
Ik vind het maar niks om trillend buiten te zijn,
Het verpest mijn humeur, heb nergens zin in,
Met mijn mond klein en pruilend, wenkbrauwen tot op mijn kin,
Vloekend stap ik mijn bed uit, wanneer mijn wekker luid klinkt,
De rest van de dag ben ik als een schip dat zinkt,
Oogkassen vol tranen, die op springen staan,
Die op willekeurig moment, zonder reden, lopen gaan,
Soms vraag ik mij af, waarom een sneeuwvlokje zo klein,
Zo'n grote inslag op mijn gevoel kan zijn,
Want ik ben niet ontevreden over wie ik ben en wat ik doe,
Nee, op sommige momenten lacht het leven mij zelfs toe,
Dus waarom laat ik mijn lach weglopen,
Langzaam in de harde regen onderdopen,
Waarom voel ik mij zo eenzaam en alleen,
Met zoveel lieve mensen om mij heen,
Het antwoord op die vragen, kreeg ik vandaag helder en wel,
Toen ik treurig in de trein zat, naast een lief, oud stel,
Lachend keken zij het raam uit, naar die vieze, natte sneeuw,
Alsof ze dat niet meer gezien hadden sinds de vorige eeuw,
En met diezelfde lach, kreeg ik een knikje, heel klein,
En de vraag of ik ook genoot, want "Oh wat was het toch fijn!",
Ik probeerde lief te lachen en schudde beleefd van 'nee',
Want dat koude, suffe weer, daar verblijd je mij niet mee,
Schokkend van het lachen, vielen ze bijna op de grond,
Want "blijdschap hangt niet af van wat er uit de lucht komt",
Luid en heel standvastig vertelde hij toen "Meid..",
"Geluk zit in je broekzak, dat raak je niet zomaar kwijt.",
"Soms is het heel goed zichtbaar, soms wat dieper misschien,
Maar als je heel goed kijkt, dan kun je het altijd zien.",
Toen ik later die ochtend de trein weer uitging,
Voelde ik me net een magneetje die alle sneeuw opving,
Maar in plaats van mopperend vloeken, dacht ik aan wat mij verteld was,
En langzaam dwarrelde de sneeuw, langs mijn gezicht, over mijn jas,
Het was kouder dan ik dacht, ik rilde, beefde hard,
Maar toch kon ik niet wegrennen, ik stond daar, stil, verward,
En na een paar minuten kreeg ik een gevoel zo warm,
De sneeuw smolt van mijn gezicht, gleed langs mijn nek over mijn arm,
Verbaasd liep ik weer verder, langs iedereen die opeens gelukkig leek,
Ik schudde mijn hoofd en begon te lachen, terwijl ik met een schuin oog in mijn broekzak keek.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Leave comments all over the place