Van die nare beesten. Beesten die van achter nog niet weten
wat ze van voor al van plan zijn. Beesten uit een onverwachte hoek. Die juist
als je ze uit je buurt wilt hebben, je niet met rust willen laten. Die met je
spelen en dan per ongeluk expres hun nagels uitzetten. Die zich schijnheilig
lief voordoen, maar eigenlijk een en al kattenkwaad met je uithalen. Het woord
zegt het al. Kattenkwaad. Katten-kwaad. Katten. Nee, ik heb er niks mee. Zelfs
met een grote boog er omheen lopen is voor mij al te veel gevraagd. Ze moeten
volledig uit mijn buurt zijn, wil ik fatsoenlijk vooruit komen. Alleen al als
ze me aankijken begint het zweet zich van alle kanten langs mijn lichaam te
verroeren. Wat ik ook probeer. Hoe stoer ik mijn blik ook wil doen laten
lijken, ik ben de lul. Aan alle kanten straalt het van me af. Ik ben een dikke,
vette bangeschijter.
De meeste mensen die bang van iets zijn, hebben hiermee ooit
een vervelende situatie meegemaakt. Ik niet. Ik weet niet wat het is dat die
angst in mij oproept, ik weet alleen dat mijn stront nooit zo kleurrijk is als op het moment dat ik oog in oog sta met een kat. Het janken heeft zo’n
kil en schril geluid dat ik me in mijn gedachten in een oorlog van bloed, zweet
en tranen bevind.
Stel. Ik ben op visite ben bij een kattenbaasje en zit
rustig op de bank van mijn kop thee te genieten. Dan opeens gebeurt het.
Nietsvermoedend neem ik een slok en plots voel ik iets achter me neerploffen.
Terwijl de kat één minuut geleden nog aan de andere kant van de kamer, net in
mijn zicht, achter zijn eigen staart aan rende, is hij zojuist achter me op de
bank gesprongen. Dat bedoel ik. Je hoeft maar even niet op te letten en ze
hebben je al te grazen. Ook al doen ze me verder niks, alleen het zien van deze
handeling jaagt me al de stuipen op het lijf. Wat hij werkelijk doet dat zie ik
niet, maar in mijn hoofd zit hij er een plannetje te bedenken. Of misschien
heeft hij die al bedacht. Het enige wat ik op dat moment nog kan denken is hoe
ik hier veilig weg kom. Ik sta op en nog voordat ik een stap kan zetten staat
de kat voor me neus. Hij kijkt me aan met ogen als een enge, vieze, grote man
die je in enge films in het donkerste hoekje van een klein, smal, stinkend
steegje het liefst vermijdt. Natuurlijk kom je hem juist op dat moment tegen. Zo
voel ik me dan ook. Alsof ik in een klein, smal, stinkend steegje in het nauw
gedreven ben. En dat door een fucking kat.
En terwijl ik dit nu zo teruglees, besef ik me wat het is
dat mij katten zo laat haten. Het onverwachte. Ik heb een hekel aan onverwachte
situaties. Ik weet niet hoe ik daarmee om moet gaan. Op het moment dat ik
bijvoorbeeld iemand tegen kom, die ik totaal niet had verwacht of die al weken
niet meer in mijn hoofd is opgedaagd, sla ik dicht. Ik ben eerst een kwartier
bezig om de informatie te verwerken wie er nou voor me staat, voordat ik ook
maar iets zinnigs uit mijn strot kan krijgen. Er hoeft niet eens iets
belangrijks of specifieks met de persoon in kwestie aan de hand te zijn, hoe
goed ik hem/haar ook ken, ik val in een gat. Wat dat betreft ben ik misschien
wel een beetje een autist. Mijn verwerkingsprogramma is op dat moment zo
verstoord en traag, dat ik uit mijn ritme raak. Het is niet zo dat ik op zo’n
moment haat heb aan die persoon, net als ik mijn haat voor katten heb gecreëerd. Maar ik moet dan even de tijd krijgen om tot rust te komen en de
informatie te verwerken. Bij mensen krijg ik die tijd.
Een gesprek bouwt zich meestal rustig op en het contact verloopt zo soepel. Het feit dat katten me dat niet
gunnen, laat een draad in mijn hersenpan knikken. Ze houden van angst. Ze begrijpen
niet dat iemand ze uit hun buurt wil hebben en vervolgens doen ze er alles aan
om ervoor te zorgen dat je ze aardig gaat vinden. Met bij mij de
tegenovergestelde werking als gevolg. Ze ondernemen vrijwel meteen actie tot dieper
contact en voordat iemand het kan beseffen bevinden mijn hersenen zich in een
achtbaan. Een achtbaan die op volle toeren door zesentachtig kurkentrekkers
draait. Het zweet begint zich dan van alle kanten langs mijn lichaam te
verroeren. Wat ik ook probeer. Hoe stoer ik mijn blik ook wil doen laten
lijken, ik ben de lul. Aan alle kanten straalt het van me af. Ik ben een dikke,
vette bangeschijter.
Gizmoo vind jou wel lief
BeantwoordenVerwijderen