Ken je dat gevoel dat je humeur plots 180 graden draait. Dat achteruit weer vooruit
wordt en diep beneden ineens de top? Dat je wilt dansen van genot en
je hersenen draaien op muziek? Dat gevoel lijkt voor iemand met moodswings,
zoals ik, een dagelijkse portie. Vanzelfsprekend. Misschien zelfs normaal. Aan
de ene kant is deze beredenering dan ook juist. Ieder moment van de dag kan
mijn humeur namelijk een twist verwachten. Van blij naar boos en weer naar blij.
Deze twist heeft zich in mijn hersenen gewurmd. Ik ben eraan gewend geraakt, ik
heb er mee leren leven. Ondanks dat ze onverwacht lijken te komen, is er
namelijk een bepaalde manier van doen en van denken dat mij deze moodswing laat
maken. Maar er zijn ook momenten dat mijn moodswing van buitenaf komt. Zomaar
ineens, totaal onverwacht. Echt onverwacht.
Zo zat ik vanochtend in de trein. Maar ik zat niet zomaar in
de trein. Het was namelijk maandagochtend. En buiten het feit dat
maandagochtend al lang en droevig van zichzelf is, bracht deze maandagochtend
nog wat meer beproeving met zich mee. Zo stapte ik, toen ik vanochtend mijn
huis verliet, vol goede moed op mijn vouwfiets. Ik was nog geen 5 meter onderweg en de
duivel liet zich zien. Mijn trapper vloog de lucht in en binnen 1 seconde stond
ik stil. Vloekend stapte ik af en pakte ik mijn trapper. Nog steeds wat licht
ziende, stopte ik de trapper in mijn zak en liep ik naar het station. Omdraaien
was geen tijd voor, die trapper maakte ik in de trein wel. Eenmaal onderweg
merkte ik dat het verder was dan ik dacht en besloot ik een stukje te sprinten.
Echter, sprinten met een vouwfiets.. NIET doen! Gewoon niet doen. Ik hield het
dus bij snelwandelen. Het was koud, maar het zweet stond op m’n voorhoofd. Mijn
telefoon tevoorschijn halen om te kijken hoelaat het was, dat durfde ik niet. Dat
zou me ten eerste snelheid minderen en dus tijd kosten. Ten tweede zou het me
opfocken.
En 'opfocken' was wat er volgde. Ik had nog niet eens naar de tijd
gekeken en het gevoel van frustratie kwam al naar boven. Ik naderde het
station, moest nog een metertje of 30. Mijn trein was inmiddels al aan komen
rijden, dus ik moest snelheid maken. Sprinten met een vouwfiets werd het dus! Ik
was nog geen 10 seconde van het perron af, of ik zag mijn trein voor mijn neus
wegrijden. Mijn trein. Met schrammen op mijn benen, zweet op mijn voorhoofd en
mijn adem in mijn oren, plofte ik neer. Ik haalde mijn trapper tevoorschijn en
begon, ondanks de bummer, met het volste vertrouwen te draaien. Het volgende
moment kwam dan ook als een koude douche. De trapper draaide niet vaker dan
tweemaal en viel er dus als vanzelf weer uit. Het was dan ook maandagochtend.
Eenmaal in Rijswijk, liep ik naar stage. Dat half uur was lang en bar. Niet
alleen omdat ik nog altijd buiten adem op tempo probeerde te komen, maar ook
omdat mijn smoelwerk zich op mijn knieën had gebivakkeerd. Dit maakte het
onmogelijk. Onmogelijk om vooruit te komen. Onmogelijk om positief te blijven. Onmogelijk om ooit nog vrolijk te
worden. En vooral, onmogelijk om deze
dag door te komen.
Maar er gebeurde iets onverwachts. Iets lichts, iets kleins,
maar zeker iets moois. Onderweg kwam ik namelijk iemand tegen. Het was een man.
In het eerste opzicht een doodgewone man. Een heel normale, kuddedierlijke man.
In het tweede opzicht een bijzondere man. Deze man was namelijk alles behalve
kuddedierlijk. Want daar waar hij met een nors gezicht voorbij had kunnen
lopen, bleef hij staan. Hij bleef staan en keek me beteuterd aan. Met mijn
haren door mijn gezicht en mijn kleding schots en scheef, voelde ik me gênant. Ik
liep daar als chagrijnige vogelverschrikker iedereen van me af te stoten en
deze man leek nog geen greintje moeite te hebben met het aandachtig bestuderen
van mij en mijn vouwfiets. Hij toonde me een glimlach en knikte met zijn ronde
hoofd. “Meid, jij bent een doorzetter. Ik
zie jou iedere ochtend. Door weer en wind, door storm en regen. Jij mag jezelf
op je schouders kloppen. Jij mag de wereld omarmen. Jij hoeft niet zo droevig
te zijn, mijn kind. Onthoud, jij komt er wel.”
Die maandagochtend kon me gestolen worden. Die trapper mag in de
kerstboom. Die dorre, zware ochtend kreeg spontaan een omslag. Mijn smoelwerk
steeg van oor tot oor, mijn adem zakte terug naar mijn borst. Mijn hersenen draaiden op muziek, zo liep ik dansend verder. En
terwijl de wind mijn haar uit mijn gezicht wapperde, waaide mijn humeur gezellig
mee. Plots was alles omgeslagen. Plots was alles anders. Dit maakte het weer mogelijk.
Mogelijk om vooruit te komen. Mogelijk om positief te blijven. Mogelijk om vrolijk te worden. En vooral, mogelijk om deze dag door te komen. Dat
doodgewone mannetje maakt van een olifant een mug. Hij maakt van donker een
verlichting. En van oorlog maakt hij vrede. Van achteruit maakt hij weer
vooruit en beneden wordt de top. Dat doodgewone mannetje dat maakt vandaag mijn
dag.

Het zijn de kleine dingen in het leven die als olie werken om je motor te laten lopen. Een lach van een kind, een complimentje van je collega, slap ouwehoeren met een maat, een muziekje opzetten. Daar haal ik mijn energie vandaan, hoe rot het ook gaat. Daarbij denk ik altijd: nu gaat het echt kl*te, maar dat betekent wel dat het allemaal maar beter kan gaan!
BeantwoordenVerwijderenEn zo is dat!
Verwijderen